Mijn vriend Mohammad

Mijn vriend Mohammad

jaap en mohamad

Hij is een van mijn eerste contacten op het AZC. “Meneer, mag deze kast ook ergens anders staan?” vroeg hij mij. Hij dacht dat ik een van de medewerkers was, maar ik ben bezoeker. “Weet ik niet! Maar wat is jouw naam? Wil je een keer mee sporten met de jongensclub?”. Later hielp hij mee met het organiseren van die avonden.

Ik heb veel herinneringen aan hem. Gelukkig heeft hij een huis en gaat het goed. Een start in Nederland is vaak nog best lastig, maar hij wil echt iets maken van zijn leven.

Uren heb ik doorgebracht op zijn kamer op het AZC. “Hoe zit dat met de christenen? Is iedereen christelijk in Nederland? En waarom mag alles bij de christenen?” Als snel gaan de gesprekken over geloof, in hun culturen is dat sowieso veel gebruikelijker dan bij ons. Er is veel uit te leggen, ook ik leer veel over de islam.

In zijn kleine kamer, zittend op zijn bed, lachen we ook veel. Wat kan je wel tegen een meisje in Nederland zeggen en wat niet? Veel van zulke gesprekken gaan over het dagelijks leven.

Aan de toekomst denken is ver weg, daar heb je hoop voor nodig. Iets wat hij op het asielzoekerscentrum niet veel meer had.

Wat hebben we veel schoongemaakt in zijn huurhuisje. Ook dan flinke gesprekken gehad trouwens. “Waarom zeggen jullie dat God een Zoon heeft? Geloof je in een godenfamilie? Dat is toch spotten om te zeggen dat God iets gedaan heeft om een kind te krijgen?”

Ons contact is nog lang niet over. Door de afstand wel minder, helaas.